Herinner je je de witte sering achter het huis? Hij stond aan de rechterkant, net na het rijtje coniferen dat de zandbak afschermde van de rest van de tuin. Ernaast stond een jasmijn, eronder de bramen en moeders kruidentuin. De bieslook schoot altijd door en kreeg een grote, paars bloeiende bol. Ik verbaasde me er altijd over dat die holle steel niet onder het gewicht van zijn bloem bezweek.

Als je verder doorliep passeerde je rechts de kersenboom en links de esdoorn die altijd vol met luizen zat. Ertussen spanden we een rood nylon touw en dan pretendeerden we koorddansers te zijn.
Het eerste deel van de tuin werd van de moestuin gescheiden door een hek van gaas, overwoekerd met bruidssluier. De pergola middenin het hek was begroeid met bedwelmend zoet geurende gele rozen die, als ze al hun blaadjes hadden geopend, leken op de wervelende onderrokken van een cancandanseres. Op warme avonden wist je met je ogen dicht waar je je bevond door alleen je neus te gebruiken.

Dwalend door de landschappen van Rob Nypels wordt ik overvallen door een pijnlijke melancholie. Alsof ik kijk door betraande ogen. De natuur die hij registreert is de natuur waarmee hij leeft. De natuur van het Franse Massif Central, die van zijn moestuin, de walnotenboom, de kudde schapen. Elk jaar brengt hij ze tot wasdom, wetende dat ze zullen verdorren, verrotten, sterven. Doordrenkt van de wetenschap dat het nooit meer precies hetzelfde zal zijn.

Sinds een brand in 1998 al zijn werk verwoestte, zit die notie meer dan ooit ook in zijn werk. Het is van levensbelang geworden om te herinneren. In Nypels geval is die herinnering niet gebaat bij een letterlijke weergave van wat is. Het gaat om het vastleggen van een ervaring, een gevoel. Rob Nypels ervaart de natuur die hem omringt van binnenuit. Zijn gemoed geeft hem in zijn camera om zijn nek te hangen en op pad te gaan, om de voeten op de aarde te planten en kijkend door de oogharen een beeld te componeren dat hem later in de juiste stemming zal terugbrengen. Die handelingen zijn even wezenlijk als ademen, als het op tijd voeren van de schapen.

Er is iets paradoxaals aan Nypels werk. Welbeschouwd bestaat het uit documentaire opnames van een bestaand landschap. Vorm en kleur kunnen, hoe vaag ook, nog altijd worden toegeschreven aan bomen, weilanden, een beekje, soms een dier. Tegelijkertijd zijn ze door hun onscherpte overgeleverd aan de interpretatie van de toeschouwer. Hoewel we met Rob Nypels op reis zijn in de Franse natuur, is het vooral ons eigen emotioneel kompas dat ons vertelt waar we ons bevinden. Zijn werk is als een kameleon, als een ordinair glas dat door de juiste lichtinval verandert in een schitterend object. Elke keer dat ik naar Nypels foto’s kijk, ervaar ik iets anders. Verwondering, rust, verdriet en zelfs woede. Zijn beelden appelleren aan instincten die ver afstaan van de bewuste handeling van het fotograferen.

In het nieuwste werk dwalen we het bos uit, door dorpen en langs de kust. Er zijn sporen van menselijke aanwezigheid het beeld in geslopen. Franse herenboerderijen als rotsformaties, pastelroze gepleisterde gevels. Hier en daar zijn de foto’s zelfs scherp. Stralend licht en heldere kleuren stromen ons uit het beeld tegemoet als een liefdevol weerzien op een zomerdag, terwijl een warme bries onze hals en armen streelt. De composities hebben minder diagonalen, zijn evenwichtiger. Alsof een slaapwandelaar ontwaakt uit een wonderschone maar verstikkende droom, en bij het opslaan van zijn ogen het licht door de gordijnen ziet sijpelen, de vertrouwde contouren van een stoel, een kast, een geliefde ontwaart.

Het ruisen van elke willekeurige treurwilg voert me onmiddellijk en onverbiddelijk terug naar de treurwilg links achterin de tuin, vlak voor het hekje naar de moestuin. Erachter staan de frambozen die het niet goed doen vanwege de schaduw die de massieve boom werpt. Ik heb een gevoel van tijdloosheid en maak een foto om de sensatie van die duizenden ruisende blaadjes niet te vergeten. Ik maak hem liggend, met mijn hoofd tegen de stam. Vage bladerkroon, stam. Ik sta op, wandel door de steeg naar de straat waar ik mijzelf tegenkomen. We lopen de dijk op. Rechts stel ik me het door knotwilgen omzoomde weggetje naar de camping voor dat nu wordt doorkruist door tweede dijk tegen het wassende water. Het strandje bij de jachthaven is er nog. Ik ruik het bruine rivierwater, klim over het hek dat nog altijd met een touw is dichtgebonden. Ik spreid mijn handdoek uit en realiseer me dat het niet dezelfde grassprieten zijn die door mijn handdoek prikken, niet hetzelfde water, niet dezelfde klei tussen mijn tenen. Ik lach door mijn tranen heen en kijk door mijn oogharen naar de volgende herinnering.

— Lise Lotte ten Voorde